heimwee.info

… powered by Holland at Home

Alles over het Nederlands volkslied

Vrijwel alle Nederlanders kennen de melodie van het Wilhelmus en kunnen meestal ook wel enkele regels met de tekst meezingen. Na de vierde tekstregel haken de meeste Nederlanders echter af, tijd dus om de hele tekst van het Nederlands volkslied eens samen door te nemen. Maar eerst nog even een klein stukje geschiedenis.

muziekpapier

Oorsprong van het Wilhelmus

Het Wilhelmus is ergens in de zestiende eeuw ontstaan en is eigenlijk een samenraapsel van een melodie en een tekst. De melodie stamt vermoedelijk uit 1568 en is geïnspireerd op het spotlied “Autre chanson de la ville de Chartres assiégée par le prince de Condé”, dat gezongen werd toen de Franse stad Chartres door de Hugenoten bezet werd. Over de oorsprong van de tekst van het Wilhelmus gaan verschillende theorieën de ronde: sommige historici denken dat het rond ca. 1572 door Filips van Marnix van Sint-Aldegonde is geschreven, die schrijver, diplomaat, geleerde en assistent van Willem van Oranje was. Anderen menen dat de tekst oorspronkelijk door Nederlandse vluchtelingen is bedacht, die in Duitsland verbleven en in een goed blaadje bij Duitse vorsten probeerden te komen. De zin “ben ik, van Duitsen bloed” (derde regel van eerste couplet) heeft hier overigens niets mee te maken, want met het woord Duits werd in de zestiende en zeventiende eeuw verwezen naar de talen die in Nederland en Duitsland werden gesproken, niet naar het land Duitsland. Alhoewel het Wilhelmus al sinds de zeventiende eeuw graag gezongen wordt door Nederlanders werd het lied pas in 1932 als officieel volkslied geregistreerd.

Volledige tekst Wilhelmus

Kom jij ook niet verder dan de tweede of vierde regel van het Wilhelmus, of ken je de tekst van het Nederlandse volkslied helemaal nog niet? Dan is dit je kans om de tekst uit je hoofd te leren (of een deel daarvan, want het moet gezegd worden: vijftien coupletten in je hoofd stampen is geen sinecure).

Wilhelmus van Nassouwe
ben ik, van Duitsen bloed,
den vaderland getrouwe
blijf ik tot in den dood.
Een Prinse van Oranje
ben ik, vrij, onverveerd,
den Koning van Hispanje
heb ik altijd geëerd.

In Godes vrees te leven
heb ik altijd betracht,
daarom ben ik verdreven,
om land, om luid gebracht.
Maar God zal mij regeren
als een goed instrument,
dat ik zal wederkeren
in mijnen regiment.

Lijdt u, mijn onderzaten
die oprecht zijt van aard,
God zal u niet verlaten,
al zijt gij nu bezwaard.
Die vroom begeert te leven,
bidt God nacht ende dag,
dat Hij mij kracht zal geven,
dat ik u helpen mag.

Lijf en goed al te samen
heb ik u niet verschoond,
mijn broeders hoog van namen
hebben ’t u ook vertoond:
Graaf Adolf is gebleven
in Friesland in den slag,
zijn ziel in ’t eeuwig leven
verwacht den jongsten dag.

Edel en hooggeboren,
van keizerlijken stam,
een vorst des rijks verkoren,
als een vroom christenman,
voor Godes woord geprezen,
heb ik, vrij onversaagd,
als een held zonder vrezen
mijn edel bloed gewaagd.

Mijn schild ende betrouwen
zijt Gij, o God mijn Heer,
op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmermeer.
Dat ik doch vroom mag blijven,
uw dienaar t’aller stond,
de tirannie verdrijven
die mij mijn hart doorwondt.

Van al die mij bezwaren
en mijn vervolgers zijn,
mijn God, wil doch bewaren
den trouwen dienaar dijn,
dat zij mij niet verrassen
in hunnen bozen moed,
hun handen niet en wassen
in mijn onschuldig bloed.

Als David moeste vluchten
voor Sauel den tiran,
zo heb ik moeten zuchten
als menig edelman.
Maar God heeft hem verheven,
verlost uit alder nood,
een koninkrijk gegeven
in Israël zeer groot.

Na ’t zuur zal ik ontvangen
van God mijn Heer dat zoet,
daarna zo doet verlangen
mijn vorstelijk gemoed:
dat is, dat ik mag sterven
met eren in dat veld,
een eeuwig rijk verwerven
als een getrouwen held.

Niet doet mij meer erbarmen
in mijnen wederspoed
dan dat men ziet verarmen
des Konings landen goed.
Dat u de Spanjaards krenken,
o edel Neerland zoet,
als ik daaraan gedenke,
mijn edel hart dat bloedt.

Als een prins opgezeten
met mijner heires-kracht,
van den tiran vermeten
heb ik den slag verwacht,
die, bij Maastricht begraven,
bevreesde mijn geweld;
mijn ruiters zag men draven
zeer moedig door dat veld.

Zo het den wil des Heren
op dien tijd had geweest,
had ik geern willen keren
van u dit zwaar tempeest.
Maar de Heer van hierboven,
die alle ding regeert,
die men altijd moet loven,
en heeft het niet begeerd.

Zeer christlijk was gedreven
mijn prinselijk gemoed,
standvastig is gebleven
mijn hart in tegenspoed.
Den Heer heb ik gebeden
uit mijnes harten grond,
dat Hij mijn zaak wil redden,
mijn onschuld maken kond.

Oorlof, mijn arme schapen
die zijt in groten nood,
uw herder zal niet slapen,
al zijt gij nu verstrooid.
Tot God wilt u begeven,
zijn heilzaam woord neemt aan,
als vrome christen leven,-
’t zal hier haast zijn gedaan.

Voor God wil ik belijden
en zijner groten macht,
dat ik tot genen tijden
den Koning heb veracht,
dan dat ik God den Heere,
der hoogsten Majesteit,
heb moeten obediëren
in der gerechtigheid.

Lees je dit artikel liever in het Engels? Breng dan eens een bezoekje aan onze Engelstalige zusterblog Dutch Community, speciaal bestemd voor Nederlandse emigranten die Engels als moedertaal hebben en expats die in Nederland wonen of daar gewoond hebben en heimwee hebben naar Nederland.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: